Foto's: Stephan van den Heuvel

Heimwee naar de hel 

 

Van zo’n lange periode zonder voetbal ga je mijmeren. Ik zal niet alleen voor mezelf spreken, als ik zeg het nu wel lang genoeg geduurd heeft. Een normale voetballoze zomer is al erg, laat staan wanneer die – zoals nu door corona – al begint in maart. Het voelt als een kwelling. Ik wil weer de euforie voelen van een overwinning, ja ik wil zelfs weer het smoor in hebben na een nederlaag. Wat mis ik het om naar het stadion te gaan. Naar Standard, ik heb heimwee naar Sclessin.

Door Stephan van den Heuvel

Standard de Liège, een club die me van kind af aan geboeid heeft. Toen ik klein was, liep er al een jongen uit ons dorp rond in dat inmiddels iconische rode tricot van Le Coq Sportif met de horizontale fijne witte lijnen. Maes Pils prijkte op de voorkant. Ik wist dat die jongen vaker met zijn vader naar Luik ging om te kijken naar Standard. Toen nog een echte topclub, zelfs in Europa. Ikzelf moest het doen met de televisiebeelden van de BRT op zondagavond. Eric Gerets speelde er en die kwam van Rekem. Bij ons in de buurt, aan de Belgische kant van de Maas. En niet te vergeten Simon Tahamata, die ik geregeld tegen het lijf liep in Maastricht.

Ik bleef Standard altijd volgen, al kwam ik er eigenlijk nooit. Tot een paar jaar geleden. Met een paar vrienden kocht ik kaartjes. Lekker modern: geld overmaken naar de rekening van de club, in mijn beste Frans een mail sturen naar het secretariaat met bijgevoegd het betalingsbewijs en een opgave van de gewenste plaatsen en tenslotte de tickets per aangetekende post opgestuurd krijgen. Het was al ruimschoots in dit millennium, maar van online ticketing hadden ze in Wallonië toen nog nooit gehoord.

Op de wedstrijddag stapten we met zijn drieën in de boemel van Maastricht naar Luik. Daar de stadsbus in om uiteindelijk te belanden in een rood-wit gekleurde mensenmassa in Sclessin. Straten volgestroomd met supporters. Stampende housemuziek uit de straatspeakers. Pubs met namen als “The Corner”, “Red Café” en “The Cup”. We passeren “La Cosa” de kroeg van de ultras, maar uiteindelijk belanden we in “Café L’Enfer”. We zijn in de Hel.

De pinten smaken goed en de sfeer is uitgelaten. Allemaal gelijkgezinden op een hoop. Meer hoeven we niet. Althans, tot aan het moment dat onze maag begint te knorren. Tijd voor warm eten. Keus genoeg, want naast cafés en drankbuffetten, krioelt het aan de Rue Ernest Solvay ook van de eetkramen. Een waar Waals Walhalla van frites, hamburgers met gebakken ajuinen (“avec sauce Andalouse”), zwartgeblakerde Mexicano’s en curryworsten. Van de hel naar de hemel. Hoewel hemel: een garantie op maagpijn de volgende dag, maar dat wisten we toen nog niet.

Op weg naar het stadion rijden de supportersbussen af en aan. Een colonne fanclubs uit heel België. Van de meest exclusieve touringcars tot een aftandse stadsbus van de TEC, de Waalse busmaatschappij. Stuk voor stuk afgeladen vol. In de verte doemen de stadionlampen op. De aanblik van het Stade Maurice Dufrasne, zoals het officieel heet, heeft iets magisch. De karakteristieke vorm van de tribunes, de felle stadionlampen en de gezangen van de tribunes: het lijkt alsof we naar binnen worden gezogen.

Binnen aan de toog knopen we nog een gesprek aan wat locals. Wat wij Nederlanders hier komen doen? We komen voor de “Choc Wallon”, de derby van Wallonië. Standard tegen Charleroi. We worden gewaarschuwd. Deze match wordt “très chaud”.

 

En daar is geen woord van gelogen, zo blijkt zo gauw de wedstrijd begint. De emoties lopen hoog op in de Hel van Sclessin. Pyro’s, een vette tifo. Felle aanmoedigingen, maar ook hatelijke gezangen. Passion, fierté, ferveur! Het zijn de kernwaarden van Standard. Passie, trots en hartstocht. De fans zwepen hun ploeg op. Mooi voetbal hoeft niet, als er maar wordt gestreden. Het “Aux armes!” golft van de tribune van PHK (Publik Hysterik Kaos) naar de Ultras Inferno en weer terug. Kippenvel!

Standard wint de wedstrijd op een diefje, zoals ze dat hier zeggen en dat zorgt voor een regen aan stenen en flessen uit het bezoekersvak richting onze kant. Een haag van schilden van de oproerpolitie zorgt dat we heelhuids buiten de poorten komen. Het “Puta Charleroi” galmt nog door de straten als we dronken van emotie en de drank weer in de stadsbus richting station rollen.

In de bus nemen we nog een oude Hell-sider in de maling, die voor alle zekerheid stiekem een halte te vroeg uitstapt, als we hem voor de derde keer vertellen dat we toch echt met zijn drieën bij hem verder gaan met drinken en dat we bij hem blijven overnachten.

Het was de beste voetbalavond ooit. Zoals met meer dingen: die eerste keer vergeet je nooit. Sindsdien zijn we verslaafd en gaan we zo vaak als we kunnen. Inmiddels zijn we wel wat wijzer. We eten nu bij Friterie Franz et Viny, dat is beter voor onze maag. Ons vaste startpunt “L’Enfer” is verhuisd naar een moderner jasje, maar voor de rest verandert er niet veel. Maar dat moet ook niet. Dat is juist de charme van Standard.

Nu kunnen we al een hele tijd niet gaan. Corona, weet je wel. Ook in België ligt alles stil, het seizoen zit er op. En dat knaagt. Ik zag laatst een flits van de Bundesliga en probeerde me in te beelden hoe een leeg Sclessin zou klinken tijdens een “Choc Wallon”. Plots voelde ik mij een beetje misselijk. Dit keer dan niet van de Mexicano’s, maar van de heimwee naar Sclessin.

©2019 Panenka Magazine