©2019 Panenka Magazine

UNVEU

Tom Bodde

 

Voor de tweede keer die avond biggelden er tranen over mijn wangen. Wat was dit mooi! Al een kwartier zongen we na rust verwoed mee met de thuissupporters. Zestienduizend fans die zó eensgezind hun liefde verklaarden aan hun club: ik vond het oberaffengeil. Hoewel het duel niet om aan te zien was, en het er geen moment op leek dat Union Berlin de punten in huis kon houden, bleef de aanhang als één blok achter zijn spelers staan. “Hauptsache sie kämpfen,” had voormalig Stadionsprecher André mij voor de wedstrijd toevertrouwd. André werd voor mij de verpersoonlijking vanEisern Union, zoals de koosnaam van 1.FC Union Berlin luidt.

 

Om half één had hij ons die middag opgepikt vanaf een parkeerplaats aan een invalsweg nabij de Oost-Berlijnse luchthaven Schönefeld. Het eerste dat opviel was de rode bouwhelm met Union-embleem op de hoedenplank van zijn bejaarde Opel Astra. De 54-jarige André was gekleed in een vale spijkerbroek met daarop het rood-witte thuisshirt van zijn club. Ik herkende hem direct aan zijn kenmerkende grij- ze baard, toen we met de minibus de Parkplatz opreden. Jan, één van de deelnemers aan de lezersreis, had André een keer ontmoet in het Gästeblock van BSV Kickers Emden, toen de Unioner daar een paar jaar eerder speelden.

 

Omdat Jan al jaren fan is van cultverenigingen als SC Veendam, FC Sankt Pauli en 1.FC Union Berlin, had hij destijds zijn  heil gezocht bij de uitsupporters. Behalve van de overweldigende stem- ming was Jan vooral onder de indruk geweest van de warme harmonie onder de Union-aanhang. S

 

inds die middag was hij in contact gebleven met de oud-stadionomroeper. Nadat hij ons stuk voor stuk hartelijk had begroet, toverde André, bij wijze van welkomstgeschenk, een Kasten bier uit zijn kofferbak tevoorschijn. Ook kregen we elk een aankondigings-poster van het affiche van die avond, een stapel stickers en een entreekaart in handen gedrukt. Toen ik een dag later wilde afrekenen, hield André zijn hand omhoog en zei enkel dat wij zijn gasten waren geweest: het bleek typerend voor de gastvrije André en zijn unieke 1.FC Union Berlin.

Al gedurende de DDR-dictatuur was de Berlijnse arbeiders- vereniging een buitenbeentje. BFC Dynamo Berlin was in- dertijd de club van de Oost-Duitse geheime dienst, de Stasi, terwijl Union in het geheim werd gesteund door de vakbond. Fan zijn van de Eisernen werd in de socialistische Heilstaatbeschouwd als een statement tegen het regime. Niet dat er bij Union in die tijd nou zoveel verzetsstrijders zaten, maar het was evident dat veel aanhangers het niet eens waren met de wijze waarop de regering invulling gaf aan het Commu- nistisch Manifest. Union Berlin werd door de overheid dan ook beschouwd als de luis in de pels van de DDR-Oberliga.

 

Het leverde de club enorme tegenwerking op vanuit de auto- riteiten, waardoor het nagenoeg onmogelijk was de landstitel te winnen. Slechts eenmaal werd beslag gelegd op de Pokal. Goede spelers werden stelselmatig onder druk gezet om te verhuizen naar een andere club. Stond 1.FC Union vóór, dan liet de scheidsrechter gerust tien minuten naspelen, en wan- neer de derby tegen aartsvijand Dynamo op het programma stond, liet de gehate Stasi-chef Erich Mielke voor de aftrap zonder pardon honderden Eisern-fans oppakken. Als respons klonken vanaf de tribunes voortdurend spreekkoren tegen het bewind, en daar was in die tijd veel moed voor nodig. Vaak ging dat gepaard met de nodige galgenhumor; wanneer het team op de rand van de zestien een vrije trap kreeg en de tegenstander een muurtje opstelde, riepen de fans eendrach- tig: “Die Mauer muβ weg, die Mauer muβ weg!” Vaak werden na zo’n duel willekeurige supporters meegenomen naar het politiebureau.

De turbulente geschiedenis vormde de club tot Kultverein en maakte de fans saamhorig. Ik ken geen tweede club in Europa waar Verein und Anhänger zo nauw verbonden zijn: bij Eisern Union worden beslissingen op democratische wijze genomen, en zal geen sponsor het in zijn hoofd halen de macht op te eisen. Toen de cultclub in 2004 op de rand van de financiële afgrond stond, lanceerden supportersverenigingen gezamenlijk een campagne waarbij de leden en masse bloed afgaven, en de opbrengst hiervan doneerden aan hun club. Bluten für Union noemden ze de

ludieke actie met gevoel voor dramatiek.

 

André nam ons mee voor een wandeling door de fraaie monumentale Altstadt van het stadsdeel Köpenick, die gesitueerd is op een eilandje op het punt waar de Dahme en de Spree samenvloeien. We dronken een biertje in de kleinste brouwerij van Duitsland, en togen vervolgens naar een grauwe buitenwijk, waar we intrek namen in Pension Welt der Böden. Hier hadden wij die avond ons domicilie. De eigenaar van het gasthuis behoorde eveneens tot de Union- familie. Zo gaat dat in Köpenick: tijdens de tweede lezers- reis had André bijvoorbeeld Frühstück voor ons geregeld in een Konditorei die toebehoorde aan een fan van Union. Tijdens beide weekendtrips aten we ‘s avonds in Restaurant Alte Laterne, waar eveneens rood-witte elftalposters en club- vaandels de wanden sierden. De sterke verbondenheid en solidariteit tussen de Unioners ervaar je hier met al je zintui- gen! In Köpenick heerst nog het principieel socialische ge- dachtegoed, waar je gastvrij bent, elkaar helpt en om elkaar denkt. Commercialiteit wordt met verachting afgezworen. “Wij overleven alle systemen,” aldus de lachende André, “we hebben het communisme overleefd en zullen het kapitalisme ook overleven. Daarmee onderscheiden wij ons van FC St. Pauli; zij vermarkten thans hun cultstatus. Dat doen wij niet, wij zijn louter een hechte familie met onze eigen gebruiken en principes.” Zo verscheurde het clubbestuur in 2009 resoluut het contract met hoofdsponsor ISP, toen uit- kwam dat diens directeur een verleden had bij de Stasi. Of- schoon Eisern Union hiermee tien miljoen euro aan inkom- sten misliep, werd er niet getornd aan de eigen principes.

We liepen naar de Alte Försterei, Union’s thuisbasis in de zuidoostelijke volkswijk. Op weg naar het stadion wandelen hier eens in de veertien dagen duizenden Schlachtenbummlerdwars door de boswachterij, slingerend langs bomen en immense varens. Zwervers en daklozen crossten met winkel- wagentjes over de onverharde paden om weggesmeten bier- flessen uit het struikgewas te vissen, en bij de bosrand stonden kerels op een DDR-barbecue worsten te grillen. Voor de ingang van het supporterslokaal, met de opmerkelijke naam “Abseitsfalle”, werden fanartikelen verkocht vanuit de kof- ferbak van een verroeste Wartburg. Ook was er een provisorisch standje waar blikken bier van de hand gingen. Het sobere etablissement zat tjokvol. André werd hartelijk ontvangen. “UNVEU“, riepen de fans tegen elkaar, de lokale geuzenkreet: Und Niemals Vergessen Eisern Union. Veertig jaar was André al lid van de familie. “Das sind meine hol- ländische Freunde,” riep hij enthousiast naar de barvrouw. Na een toast op Union Berlin togen we richting het volks- theater. Hoe weinig had het gescheeld of “es hatte überhaupt kein Stadion an der Alten Försterei mehr gegeben,” zoals André opperde toen we binnen waren. Na de eenwording van Duitsland kreeg de vereniging, zoals zoveel voormalige Oost-Duitse clubs, ernstige financiële problemen. In maart 2008 tekende de deelstaatregering uiteindelijk het doodvonnis over Eisern Union nadat deze, na drieënhalf jaar debatteren, weigerde het stadion te verkopen voor het symbolische bedrag van één euro.

 

Sinds 1920 speelde de club al in het merkwaardige onderkomen, midden in de bossen van de Oude Boswachterij van Köpenick, maar nu dreigde daar een eind aan te komen. Tot overmaat van ramp weigerde de Duitse Voetbalbond een nieuwe licentie af te geven voor de 3e Bundesliga. Het bescheiden stadion, dat enkel beschikte over één lage zittribune en voorts drie onoverdekte staan- tribunes, voldeed bij lange na niet meer aan de strenge voorwaarden van het hedendaagse profvoetbal: de distels groeiden er tussen de verweerde betonblokken, de vakken waren niet gescheiden en veldverwarming ontbrak. Geld voor de benodigde renovatie was er niet. De Berlijnse autoriteiten stelden voor om 1.FC Union Berlin te laten verhuizen naar het voormalige onderkomen van nota bene aartsvijand nummer één, BFC Dynamo. Dat duivelse plan schoot deUnioner in het verkeerde keelgat; verhuizen naar het besmetteJahn-Sportpark? “Niemals,” luidde de eensgezinde opvatting van fans en bestuur. De clubleiding had maar één optie, en riep de aanhang op om zelf de handen uit de mouwen te steken. Naar Sovjet-Russisch model zetten de suppor- ters een unieke subbotnik op: onbetaald en geheel vrijwillig werkten de fans met hart en ziel samen om het professionele voetbal in Berlin-Köpenick voor de komende era veilig te stellen, onder het motto “wenn’s keiner macht, machen wir’s selber.” Sommige vrijwilligers waren sowieso werkloos, andere namen vakantie. Ze kwamen vóór en na hun werk, scholieren gingen tussen de lessen door aan de slag, en een enkeling had zelfs ontslag genomen om erbij te kunnen zijn. De één sjouwde een paar dagen, de ander een paar weken. De begeisterte Schlachtenbummler investeerden echter niet alleen vrije tijd in de verbouwing, ook brachten ze bouwmaterialen en gereedschappen mee. Onder leiding van zes professionele bouwers toverden de achttienhonderd Union- fans in amper veertien maanden tijd hun negentig jaar oude strijdperk eigenhandig om van een bouwval tot een fraai bastion met een capaciteit van 20.000 toeschouwers.

Als eerste zijn de drie staantribunes achter de goals en aan de lange zijde vernieuwd. “Heel bewust,” zei André gedre- ven. “Dit is traditioneel een club van arbeiders, de werklui die hier vroeger actief waren in de ijzer- en staalindustrie. Vandaar ook de bijnaam Eisern Union.

 

Nog altijd is Union de club van de gewone man.” Opnieuw zijn er enkel staan- vakken gebouwd, “denn beim 1.FC Union steht man beimFuβball-kucken; sitzen ist sowieso für ein Arsch,” lachte de oud-stadionomroeper. Hoewel André met zijn forse postuur en kwakkelende gezondheid niet al te best ter been was, moest hij er niet aan denken te zitten tijdens de wedstrijden van zijn club. Vol trots wees hij naar beneden: “Zie je die voetafdrukken daar in het beton? Dat is mijn staanplaats. Kijk maar, de letters AR staan erbij: André Rolle!”

 

Vanwege de verbouwing was de cultclub wél genoodzaakt zijn thuiswedstrijden één seizoen lang te spelen in het gehateJahn-Sportpark. De fans van Union voelden zich er nimmer thuis en velen bleven uit principe dan ook weg wanneer hun club om de veertien dagen voetbalde in het besmette bastion. Desalniettemin speelde Eisern Union een ijzersterk seizoen op de Prenzlauer Berg, en werd het met een straatlengte voorsprong Meister van de 3e Bundesliga. Bij iedere thuis- zege scandeerde het publiek spottend: “Auswärtssieg! Aus- wärtssieg!” Eenmaal terug in de eigen woonkamer was de kortstondige verbanning naar het ‘rattenhol’ vlug vergeten. 1.FC Union Berlin kon zich financieel staande houden, en werd een stabiele middenmoter in de 2e Bundesliga. “We waren in de DDR-tijden al een hechte familie,” zei André, “maar die band is door de verbouwing alleen maar sterker geworden. Het stadion heeft nu veel meer warmte dan wan- neer het gebouwd zou zijn door één of andere grote firma.” Met de subbotnik is feitelijk een cultuur ontstaan waarin club en supporters zich conformeren aan de pure communistische ideologie, zoals Marx en Engels die ooit hadden bedoeld.

Het voetbal droop aan alle kanten van de muren op de historische grond. De oude hoofdtribune stond er nog: een stukje Ostalgie in optima forma. De staantribunes waren mooi van pure eenvoud, zonder opsmuk opgetrokken aan de bosrand. Het talud liep boven de tribune langs waardoor je ook tijdens een wandeling naar de cateringcontainer zicht bleef houden op het speelveld. Met gevoel voor traditie had de club het handmatige scorebord in ere gehouden. Kenmerkend voor dit bord waren de raampjes tussen de score. Achter ieder venster zat een medewerker, en wanneer er gescoord was, ging het raampje open en werd het reusachtige cijferbord verwisseld: pure cult! Een ander curieus element in het stadion was de plexiglazen buis waardoor de acteurs vanaf de kleedkamers naar de grasmat wandelden. De kleedlokalen waren achter de hoofdtribune gebouwd, bovenop het club- gebouw. Van hieruit liep de koker over een pleintje achter de tribune, om vervolgens af te dalen naast de hoofdtribune, waarna de spelers het veld betraden bij de cornervlag.

 

Op een pleintje achter de tribune aan de lange zijde pronkte een vijf meter hoge bouwhelm, met daarop alle namen van de vrijwilligers die meegeholpen hadden aan de renovatie. Als dank voor de hulp had iedere bouwer een zelfde exemplaar gekregen als André op zijn hoedenplank had liggen. Ik vroeg André of hij nerveus was voor het duel met het hoog- geklasseerde 1860 München. “Überhaupt nicht,” antwoordde hij beslist, “zolang ik maar bij mijn club ben, en mijn vrienden zie.” Toen de Unioner bij een volgend bezoek hoog op de ranglijst stonden, vroeg ik André of hij hoopte dat ze zouden promoveren. André reageerde kenmerkend: “Um Gottes Willen nicht aufsteigen,” bang dat zijn club mee zou worden gesleurd in het commerciële circus, en hiermee zijn eigen identiteit zou verliezen.

 

De Hütte stond een uur voorAnpfiff al barstensvol. Ik staarde om me heen; langs de open hoek naast de hoofdtribune keek je zo in de bossen van Köpenick. Uit de schoorsteen van het clubgebouw walmde dikke zwarte bruinkoolrook. Ik stond met het grootste deel van onze groep enkele treden onder André. In de drukte waren we Jan kwijt geraakt, maar die was allicht zo blij bij ‘zijn’ familie te zijn, dat hij vergeten was dat er ook nog gevoetbald zou worden. Ik raakte aan de praat met mijn buren, en het viel direct op dat iedereen zo spontaan en gastvrij reageerde op onze komst. Ik kreeg een bier in handen ge- drukt, sigaretten aangeboden en men wilde alles weten over het doel van ons bezoek. Allen spraken vol trots over Eisern Union. “UNVEU,” riepen ze alsmaar. De omroeper las de opstelling van de Löwen uit München voor. In tegenstelling tot andere Duitse clubs, waar de thuisfans de spelers van de tegenstander verwelkomen met de achternaam “Arschloch” werd op de Alte Försterei, tot grote hilariteit onder onze groep, na iedere naam “Na und?!” gescandeerd. Mijn buurman legde uit dat die kreet niet alleen ludiek bedoeld was; het paste door en door bij de Vereinsphilosophie. “Namen zeggen ons niks, status en dikke portemonnees evenmin. Iedereen is voor ons gelijk. Ook wanneer een topclub als FC Barcelona hier komt opdraven, zullen we het omroepen van de naam Lionel Messi beantwoorden met “nou en?!””

 

Toen kwam het moment waar ik zeer naar uit had gekeken: iedereen maakte zich op voor het clublied “Eisern Union”, dat met zoveel gevoel is ingezongen door de excentrieke rocklegende Nina Hagen. Ik had de zo toepasselijke tekst van het lijflied uit mijn hoofd geleerd, en bij het zien van de vele filmpjes op YouTube kreeg ik al kippenvel op de armen. Duizenden fansjaaltjes veranderden de staantribunes in een golvende zee van rode stof. Uit respect voor het clublied staakte ieder het gesprek. Je kon een speld horen vallen.

 

Achter de goal werden banners opgetrokken. De eerste tonen klonken over de Alte Försterei. Toen Union eind jaren negentig ook al eens bijna failliet was geweest, had de ex-vriendin van Herman Brood haar steentje bijgedragen door bij thuiswedstrijden het clublied Eisern Union te zingen.

Wir aus dem Osten geh'n immer nach vorn

Schulter an Schulter für Eisern Union

Hart sind die Zeiten und hart ist das Team

Darum siegen wir mit Eisern Union

Eisern Union
Immer wieder Eisern Union

Immer weiter ganz nach vorn

Immer weiter mit Eisern Union

 

Tranen biggelden over mijn wangen. De ijzersterke tekst en de melancholische melodie maakten veel emoties bij me los. Zoveel harmonie, zoveel eensgezindheid; zo intens had ik het maar zelden meegemaakt. Iedereen zong mee, niemand verzaakte.

 

Wer spielt immer volles Rohr?

Eisern Union, Eisern Union

Wer schießt gern ein Extra-Tor?

Eisern Union, Eisern Union

Wer lässt Ball und Gegner laufen?

Eisern Union, Eisern Union
Wer lässt sich nicht vom Westen kaufen?

Eisern Union, Eisern Union

Den Sieg vor den Augen, den Blick weit nach vorn

Zieh'n wir gemeinsam durch die Nation

Osten und Westen - Unser Berlin

Gemeinsam für Eisern Union

Eisern Union
Immer wieder Eisern Union

Immer weiter ganz nach vorn

Immer weiter mit Eisern Union

Wo riecht's nach verbranntem Rasen?

Eisern Union, Eisern Union

Da wo wir zum Angriff blasen

Eisern Union, Eisern Union

Es kann nur einen geben

Eisern Union, Eisern Union

Wir werden ewig leben

Eisern Union, Eisern Union

Eisern Union

Immer wieder Eisern Union

Immer weiter ganz nach vorn

Immer weiter mit Eisern Union

 

Nadat de laatste tonen over de Oude Boswachterij waren weggeëbd barstte er een weergaloos applaus los op de vol- gepakte staantribunes. Voor ons was het bezoek aan de cult- club al geslaagd voordat er überhaupt was afgetrapt. En dat was maar goed ook, want er viel die avond, zoals gezegd, niet veel te halen voor de Unioner. 1860 München speelde een gedegen partij en kwam halverwege de tweede helft verdiend op voorsprong. In de laatste minuut was Eisern Union nog dicht bij de gelijkmaker, maar de befaamde Hongaarse doelman Gábor Király, al vijftien jaar actief in de Duitse Bundesliga en spelend in de hem zo kenmerkende grijze joggingbroek, had die avond een engeltje op zijn lat, waardoor de punten mee gingen naar de Freistaat Bayern.

Het publiek baalde stierlijk van de nederlaag, maar ze floten hun team nimmer uit. Bloedfanatiek werden de spelers op- gezweept om te vechten voor wat ze waard waren. Zolang ze er maar voor streden. Vrijwel de hele tweede helft klonk het:“Union Berlin – FC Union – Unsere Liebe – Unser Mann- schafft – Unser Stoltz – Unser Verein – Union Berlin...”De imponerende tekst stond op de dakranden boven beide doelen gedrukt. Wij genoten intens van de unieke ambiance en blèrden net zo hard mee als de aanhang, die zo eendrach- tig achter het team bleef staan. Zelfs tien minuten na afloop galmden de supportersliederen nog over de nieuwe staan- tribunes van de Alte Försterei. Ondanks het verlies liepen de spelers een uitgebreide ereronde door het kolkende stadion. De helden hadden gestreden als leeuwen, zagen eruit als zwijnen en werden derhalve getrakteerd op een staande ovatie. Op hun beurt klapten de spelers naar het fantastische publiek, waarmee ze hen bedankten voor de weergaloze ondersteuning. Weer veranderden de tribunes in een rode zee van sjaaltjes. De fans zongen voor de laatste keer hun Eisern Union toe.

 

Pas na het uitzwaaien van de spelers vonden we Jan weer terug. Hij had het duel bekeken vanaf een plek onder bij het hek. Jan was laaiend enthousiast, had met Jan-en-alleman gepraat, en gaf aan dat het bezoek aan de Alte Försterei hem exact had gebracht wat hij had gehoopt. We wierpen nog een vluchtige blik in de merkwaardige spelersbuis en bliezen hierop langzaam de aftocht. Bij de uitgang stonden honderd mannen op een rij tegen de afrastering te pissen. Het regen- de, maar niemand die daar om maalde. We kuierden naarRestaurant Alte Laterne. De uitbaatster vroeg André hoe de wedstrijd was afgelopen. “Eins – null verloren,” antwoordde de voormalige stadionomroeper beteuterd. “Eins – null, das ist doch nicht verlieren,” reageerde de Wirtin met gevoel voor humor. “Komm, trinkt ein Bier und macht euch einen schönen Abend!”

Een paar maanden later las ik een verhaal over een Nederlander die naar Berlijn was verhuisd, en wiens hele leven inmiddels in het teken stond van Eisern Union. De 54-jarige Holly was in 1999, vanwege de Berlijnse wortels van zijn toenmalige vrouw, van Almelo naar de Duitse hoofdstad verhuisd. Hij stilde zijn honger naar de bal bij het mondaine Hertha BSC, maar in het immense Olympiastadion voelde hij zich nimmer op zijn gemak. Een aantal jaren geleden nam zijn dochter hem mee naar de Alte Försterei, waarna hij besmet raakte met het Eisern Union-virus. Inmiddels heeft Holly een Nederlandse fanclub opgericht, en als het even kan bezoekt hij alle trainingen. Wanneer ik hem bel en vraag wat hem nu zo aan de club uit Berlin-Köpenick bindt, zegt hij enkel: “Union is één grote warme familie!” Toen Holly na een wedstrijdbezoek uitgleed en zijn knie brak, kwamen spelers hem opzoeken in het ziekenhuis. Even was er zelfs sprake van dat Holly tijdens een volgende partij plaats zou nemen op de reservebank, maar dat weigerde hij beslist:“Beim 1.FC Union steht man beim Fuβball-kucken!”

Und Niemals Vergessen Eisern Union. Niets is minder waar: wie eenmaal in Berlin-Köpenick en het Stadion an der alten Försterei is geweest, vergeet de 1.FC Union Berlin en zijn hechte familie nóóit meer. Ik heb, net als Jan, André en Holly, de club voor altijd in mijn hart gesloten.

 

UNVEU.