Essaouira
- Tom Bodde

- 8 mrt
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 6 apr
Zaten we een paar minuten geleden nog ontspannen te genieten van de drukke kletspraat van de jongetjes om ons heen, nu moeten we dekking zoeken voor de laag overvliegende flesjes water. De in onheilspellend donkergroen en zwart uitgedoste ultra’s zwaaien woest richting ons vak en dreigen het lage muurtje over te klimmen om tot de aanval over te gaan. Gelukkig slaagt de politiemacht erin de oververhitte gastenfans tegen te houden. Linda is inmiddels twee vakken verderop gevlucht.

Foto's: Tom Bodde
Wanneer je, zoals mijn vrouw en ik, al meer dan vijfentwintig jaar in de reiswereld werkt, zoek je voor je eigen vakantie het liefst bestemmingen met weinig toeristen. Voor een weekje zon, zee en de nodige cultuur viel onze keus dit keer op de regio rond het Marokkaanse Essaouira. En laat daar nu ook gevoetbald worden.
De oude kuststad ademt een zilte zeelucht en een ontspannen, bijna dromerige sfeer. De wind waait hier onophoudelijk over de brede stranden, waardoor het een geliefd oord is voor kitesurfers. Op de visafslag ga je vijftig jaar terug in de tijd. Tijdens de levendige ochtenddrukte kijk je hier je ogen uit. De verse vangst ligt zonder opsmuk uitgestald op eenvoudige toonbanken, terwijl handelaren en klanten luidkeels onderhandelen over de prijs. Achter de ommuurde medina van de havenplaats ontvouwt zich een sprookjesachtig labyrint van smalle steegjes vol blauwgekleurde deuren, ambachtelijke winkeltjes en het zachte geroezemoes van locals; overal voel je de geschiedenis van de stad, van Portugese vestingen tot Berberse tradities, en kijk je uit op de woeste golven van de Atlantische Oceaan.
Strandvoetbal
Het is op deze nazomerse zondag levendig en gezellig op het zonovergoten strand van Essouira. Terwijl verderop een rijtje kamelen door de duinen en branding trekt, aanschouwen mijn vrouw Linda en ik enkele fanatieke voetbalpartijtjes, die wat dichter bij de stad op het mulle strand plaatsvinden. De doeltjes bestaan uit een paar schoenen. Met de hak van een blote voet zijn de lijnen van het veldje getrokken. Die aan de zeezijde is door het opkomende water al bijna vervaagd.
Het gaat er tijdens die wedstrijdjes behoorlijk pittig aan toe: de voetballers zijn fysiek sterk, tonen indrukwekkende technische kwaliteiten en spelen in hoog tempo; het blijkt een heerlijke opmaat voor de wedstrijd die later die middag op het programma staat.
We lopen verder. Direct achter de boulevard zien we de lichtmasten van het gemeentelijk stadion boven de bebouwing uitpriemen. Een paar dagen eerder hadden we al een kijkje genomen bij de voetbaltempel. Er stond toen een deur open, en de groundhopper in mij kon zich natuurlijk niet beheersen. ‘Kom binnen,’ zei een enthousiaste medewerker in het Frans. ‘Neem gerust een kijkje.’ Voor ik het wist stonden we in de catacomben van het eenvoudige sportcomplex. De was hing op de tribune te drogen. Toen hij zag dat ik foto’s maakte, kreeg ik het prachtige lichtblauwe thuisshirt in handen gedrukt om mee te poseren. ‘Is er in de komende dagen nog een wedstrijd?’ vroeg ik zonder met mijn vrouw te overleggen. ‘Zondag om 16.00 uur spelen we het eerste duel van het seizoen,’ antwoordde de medewerker tot mijn grote vreugde. Linda wist hoe laat het was…
Voor aanvang van de vakantie had ik natuurlijk al naar een voetbalclub in Essaouira gegoogeld, maar daar was ik nauwelijks wijzer van geworden. Langs de winderige stranden van Essaouira speelt niettemin een club die stevig verankerd is in de lokale gemeenschap: Amal Sportive d’Essaouira, kortweg ASE of Amal. Op sportvlak is de naam Amal in Marokko echter vooral verbonden met basketbal; de club heeft een roemruchte basketbalafdeling die jarenlang op nationaal niveau uitkwam.
Minder bekend is de voetbalafdeling, die haar thuis- wedstrijden speelt in het Stade Municipal d’Essaouira, een charmant en bescheiden stadion, dat bestaat uit twee tribunes en verder is ingeklemd tussen de appartementengebouwen. Hier treden ze aan in de Tweede Amateurdivisie, en wel in de zuidelijke poule Ligue Marrakech–Safi. Het team bestaat hoofdzakelijk uit lokale spelers en jeugd uit de eigen voetbalschool, en trekt een trouw publiek dat net zo kleurrijk is als de stad zelf.
Hoewel de wedstrijd plaatsvindt op een lager niveau maakt Linda zich wel wat zorgen over ons voorgenomen bezoek. Allereerst is zij (door mij: dom!) op de hoogte van de bedenkelijke reputatie van de fanatieke supporters in Marokko, die behoren tot de meest uitbundige ultragroeperingen ter wereld, maar soms ook bijzonder gewelddadig zijn. Dat we op de boulevard groepjes mannen, getooid in dreigend donkergroen en zwart, tegemoet lopen die er niet bepaald uitzien als braafste jongetjes van de klas, maakt het er niet comfortabeler op. Bovendien vreest Linda dat ze de enige vrouw is in het strijdperk. Die voorspelling komt zo goed als uit. Tussen de in totaal duizend toeschouwers ontwaren we uiteindelijk slechts twee traditioneel geklede vrouwen en drie meisjes van een jaar of twaalf.
Klassiek entreekaartje
Hoewel er een uur voor de aftrap nog maar weinig supporters bij de hoofdingang rondlopen, staan er wel zo’n twintig politiebusjes geparkeerd. We worden aangesproken door een kleine man die filmpjes maakt van een groep gastenfans die juist vanuit een bus richting de ingang loopt. Hij vindt het prachtig dat twee westerse toeristen de wedstrijd komen kijken en wijst ons naar de kaartverkoper, die achter het hek aan een tafeltje heeft plaatsgenomen.
Voor 10 dirham per persoon (lees: één euro) krijgen we een schitterend kartonnen wedstrijdkaartje waarop de aftrapdatum en affiche zijn gedrukt, gek genoeg in het Engels! Gelukkig zijn e-tickets nog geen gemeengoed in Noord-Afrika. Bijna gaat mijn souvenir echter nog verloren: Linda’s kaartje wordt bij binnenkomst meedogenloos doormidden gescheurd, maar de controleur heeft begrip voor mijn smeekbede en geeft mijn ticket met een grote glimlach ongeschonden terug.
We nemen plaats op de betonnen trappen van de lange zijde. Enkel op de ‘ere-/ perstribune’ zijn een paar zitjes gemonteerd, maar dit vak blijkt tevens te worden gebruikt als bufferzone tussen het uitvak en het deel waar de Amal-supporters zitten; enkel de journalist loopt hier rond. Naast ons zitten een paar jochies die shirts dragen van de Amal-voetbalschool. Ze kijken verlegen en nieuwsgierig naar hun ‘gekke’ buren die in een zo vreemde taal tegen elkaar praten.
Met mijn gele T-shirt val ik hoe dan ook nogal uit de toon op de tribune; blijkbaar ga je hier met grijs-wit en zwarttinten naar het voetbal. Ook is het in Essaouira gebruikelijk om je eigen stoel mee te nemen naar het stadion, zo zien we tot onze verbazing. Mannen tillen complete tuinsets de tribunetrappen op, gezien de harde zit op de betonnen platen niet onbegrijpelijk overigens.
Geitengeblèr
Inmiddels loopt het gastenvak goed vol. Tegenstander Ittihad Riadi Fkih Ben Salah (IRFBS), opgericht in 1962, is afkomstig uit de stad Fkih Ben Salah in de plattelandsregio Béni Mellal-Khénifra. De voor mij geheel onbekende club speelde een tijdje terug nog op het laagste profniveau van Marokko en heeft de ambitie om daar snel terug te keren. De ploeg wordt dan ook gezien als een van de favorieten voor de titel.
Om in het uitvak te komen moeten de fans van groen-zwart merkwaardig genoeg vóór ons vak langslopen. Ze worden door de thuissupporters daarbij begeleid met een cynisch geitengeblèr; dit vanwege het grote aantal geitenkuddes die in Béni Mellal-Khénifra gehoed worden, hoor ik later van mijn achterbuurman. Het komt lachwekkend, maar tegelijkertijd ook wat dreigend op ons over. De duister ogende jongelui beantwoorden dit met wat provocerende opmerkingen en gebaren.
Ik staar naar het veld. De spullen voor de warming-up liggen al klaar op de slechte kunstgrasmat. De ballen zijn heel vreemd en donker, alsof ze al helemaal ‘afgeragd’ zijn; het zal wel Marokkaanse mode zijn, denken we. Grappig genoeg rollen ze al snel naar een hoek van het veld. De stevige Atlantische wind, waardoor Essaouira zo geliefd is bij surfers, blaast stevig over het veld. De was die achter de goal hangt, wordt met die combinatie van zon en wind wel snel droog.
Tijdens het warmlopen gaat het er meteen fanatiek aan toe. Ik heb nog nooit zo’n vol veld gezien. Alle spelers doen mee aan de opwarming, en er lopen ook conditietrainers, keeperstrainers, managers en weet ik veel wat voor belangrijke mensen tussendoor. Ook rondom de hekken wordt het druk, want er komen zo’n honderd politieagenten en stewards de arena binnen. De journalist die we bij de ingang troffen, staat als een gek alles te filmen. Verder valt er niets te doen in Stade Municipal d’Essaouira. Er zijn geen eet- en drinkkraampjes, er is geen muziek, nee, niet eens een stadionspeaker die de opstellingen door de microfoon roept.
De sfeer is nog gemoedelijk: mannen van alle leeftijdsklassen zoeken een plaatsje in de zon, en er wordt gepraat en gelachen. Een echte harde kern is er niet. De ultra’s in het uitvak zetten het op een zingen, klappen en trommelen. Ze zijn gekleed in zwarte hoodies of dragen donkergroene en zwarte voetbalshirts met indrukwekkende Arabische geschriften. Ook de leus Free Palestina is op veel kleding te lezen.
Dit volledige artikel kun je lezen in Panenka 42, bestel hier.





























