top of page

Ipswich Town: kijken naar beneden, rusten op het verleden

Op een gure avond in het najaar van 2018 sta ik op Elland Road te kijken naar Leeds United-Ipswich Town. Voor mij staat een man zo groot dat hij op zijn tenen de lampen in een lichtmast kan vervangen. Als ik om hem heen kijk, zie ik hoe Leeds United onder de Argentijnse coach Marco Bielsa de geest heeft gekregen, bij tegenstander Ipswich lijkt de ziel er aardig uitgezogen.

De gasten mogen blij zijn met een 2-0 nederlaag. Bij Ipswich valt Trevoh Chalobah in. De ene helft van zijn weelderige haardos is geblondeerd, de andere helft pikzwart. Vanuit alle hoeken van het stadion wordt er gezongen dat hij vogelpoep op zijn hoofd heeft. Het is het enige dat opvalt aan de kant van de gasten uit Suffolk.


De Tractor Boys maken een kleurloos seizoen door. De meeste kleur komt nog van de felle sponsor op het shirt: Magical Vegas, een goedkoop online casino. Wie op Ipswich Town gokt, wordt makkelijk rijk. Zet de ploeg op een nederlaag en het is  gegarandeerd prijs. Ik ken de club nog als een goede ploeg, de ploeg van Sir Bobby Robson, maar ook als een team dat begin deze eeuw nog tweemaal Europees voetbal haalde. In het seizoen 2018/2019 bungelt Ipswich het hele seizoen troosteloos onderaan in het Championship en het mag niemand verbazen dat de club gedegradeerd is naar League One. Magie was er dit seizoen zelden te zien op Portman Road.


Desondanks wordt het wel de hoogste tijd voor een bezoek. Het wordt Ipswich Town–Nottingham Forest. Als het heden tegenvalt, is er altijd een geweldig verleden om op terug te vallen. Het is een affiche waarvoor de mensen begin jaren tachtig massaal zouden afstemmen op Match of the Day. Forest, landskampioen van 1978, Europa Cup I-winnaar in 1979 en 1980. De club van de excentrieke Brian Clough, die het slechts 44 dagen volhield bij Leeds United en ooit mopperde over de geringe tegenstand van Ajax en PSV in de Nederlandse competitie. Een Micky Mouse-competitie hadden we hier, niet meer en niet minder. Het zou een competitie zijn waar elke tegenstander van hetzelfde niveau was als dit seizoen Ipswich Town.


Successen in Suffolk


Gastheer Ipswich leverde net als nu ook vroeger geen half werk. Diepe dalen werden afgewisseld met hoge pieken. Met Sir Alf Ramsey werd Ipswich in 1962 landskampioen. Ramsey verliet de club voor de Engelse voetbalbond en werd met het nationale team in 1966 wereldkampioen. Ipswich stortte in en degradeerde, maar kwam met Sir Bobby Robson sterk terug. Met de Nederlanders Frans Thijssen en Arnold Mühren in de gelederen werd in 1981 ten koste van AZ’67 de UEFA Cup gewonnen. Vijf jaar later degradeerde de club wederom.


Rond de eeuwwisseling was er een korte opleving. Promotie volgde en het eerste seizoen op het hoogste niveau leverde een knappe vijfde plaats op. Ipswich mocht Europa in en moest pas in de derde ronde zijn meerdere erkennen in Internazionale, nadat het op Portman Road knap met 1-0 won.


De Tractor Boys eindigden dat seizoen op een achttiende plek, wat degradatie betekende. Opvallend detail: dat deed de club op een uiterst sportieve wijze, want Ipswich mocht andermaal Europa in, nu op basis van het fair play-klassement. Slovan Liberec was in de tweede ronde te sterk. Ipswich werd ondertussen onderdeel van het interieur van het Championship. Zeventien jaar lang bleef de club actief op het tweede niveau. Tot afgelopen seizoen.


Vroeger was alles beter?


De Netflix-documentaire over Sir Bobby Robson levert een prachtig kijkje op in de keuken van Ipswich Town. Robson staat op het trainingsveld te doceren. Achter hem doemt de mainstand op. Bijna vijftig jaar later is er bijzonder weinig veranderd. Het imposante zwarte dak met daarop in het wit ‘Ipswich Town F.C.’ markeert nog immer de buitenzijde van de hoofdtribune. Het veld ligt er nog altijd, nu een community pitch met kunstgras. Een half uur voor de aftrap spelen overal kinderen.  Elk kind dat de bal minder dan drie meter van de voet laat springen loopt het risico een contract te krijgen aangeboden bij de Tractor Boys.


De tijden van voorspoed worden goed geconserveerd in Ipswich. Sir Bobby waakt over de Cobbold Stand, vernoemd naar medeoprichter Thomas Cobbold. Een stukje verderop staat een standbeeld van Sir Alf Ramsey. Naast hem staat een hokje waar programmaboekjes worden verkocht. Drie pond armer ben ik een matchday programme rijker. Op de rug staat misschien wel de belangrijkste dag van de club: ‘January 13, 1969 – Bobby Robson is announced as the new Ipswich Town Manager’. Het is overbekend, met Robson aan het roer veranderde het provinciaaltje in een Europese topclub.


In de fanshop is er genoeg aandacht voor de indrukwekkende geschiedenis. Er hangen shirts van de seizoenen dat Ipswich de FA Cup en de UEFA Cup won. Ansichtkaarten tonen juichende spelers met lange haren, grote snorren en korte broekjes. Ik koop een sleutelhanger met daarop de shirts waarin beide bekers werden gewonnen en verlaat de fanshop.

Via een krakende en antieke turnstile kom ik het stadion binnen. Sinds 1884 speelt Ipswich Town hier, op Portman Road. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trainden Britse troepen in het stadion.


Bobby Robson Stand


Het stadion is een plaatje. De korte zijdes zijn modern en vernoemd naar Sir Alf Ramsey en Sir Bobby Robson. Ik zit op de laatstgenoemde en zie links de Cobbold Stand uit 1971 en rechts de drielaagse mainstand uit 1957. Aan de balustrades van de hoofdtribune bungelen allerlei vlaggen met een hang naar het verleden. Robson afgebeeld met de UEFA Cup en de tekst ‘The best I’ve ever created’ en een Britse vlag met daarop ‘UEFA Cup ’81’.


Vandaag zijn er ruim 16.000 supporters naar Portman Road afgereisd om de gang naar Canossa te maken. Het is pure zelfkastijding van de supporters, maar een matchday is een matchday; supporter ben je in voor- en tegenspoed. En zolang je voor de wedstrijd een pint kunt drinken, er (erg lekkere!) pie is en je een paar keer kunt schelden naar incapabele voetballers met het logo van je grote liefde op hun borst, kun je je weinig meer wensen. Behalve dan een paar goede voetballers misschien.


De gastheren moeten winnen en beginnen uitstekend. Na vijf minuten schiet Collin Quaner de bal achter Costel Pantilimon. Een half uurtje later komen de gasten op exemplarische wijze op gelijke hoogte. Een indraaiende corner wordt slecht ingekopt en komt tegen de heup van Jon Nolan van Ipswich aan. Keeper Bialkowski duikt een meter achter zijn lijn, de bal rolt vervolgens precies op de doellijn voor de voeten van een speler van Forest en we staan gelijk. Wie voor aloude Engelse doelpunten naar Portman Road afreist, komt vandaag bedrogen uit.


De tweede helft grossiert Ipswich in het missen van enorme kansen. Nolan kopt voor open goal knap naast en Jackson schiet keer op keer op Pantilimon. De sfeer blijft ondanks alles goed op Portman Road. De supporters weten dat het een kansloze zaak is, maar blijven achter hun club staan. Na negentig minuten is duidelijk dat de prijzenkasten van zowel Ipswich Town als Nottingham Forest voorlopig niet afgestoft hoeven worden.


Ondanks alles loop ik even later meer dan tevreden naar buiten. De historie, het schitterende stadion, de krakende turnstiles, de heerlijke pie, maar vooral vanwege de aanhang, is mijn bezoek geslaagd. Meer dan 16.000 gepassioneerde supporters die zo’n hopeloze ploeg negentig minuten lang tegen beter weten in naar voren schreeuwen, daar heb ik diep ontzag voor.


Voor Ipswich is het na zeventien seizoenen klaar in de Championship: 46 wedstrijden leverden slechts vijf zeges op. Salford City FC is dichterbij dan Manchester United. Desondanks heeft de club begin mei alweer ruim tienduizend seizoenkaarten verkocht voor een nieuw avontuur in League One. Het heden ziet er voor de club op korte termijn misschien niet zo goed uit, maar een club met zo’n mooi verleden heeft altijd een toekomst.


Sir Bobby Robson

Sir Bobby Robson was niet alleen een uitstekend trainer, hij wist ook goed waar het eigenlijk om draait in het voetbal, zo bewijst deze beroemde quote uit ‘Newcastle. My kind of Toon’.

‘What is a club in any case? Not the buildings or the directors or the people who are paid to represent it. It’s not the television contracts, get-out clauses, marketing departments or executive boxes. It’s the noise, the passion, the feeling of belonging, the pride in your city. It’s a small boy clambering up stadium steps for the very first time, gripping his father’s hand, gawping at that hallowed stretch of turf beneath him and, without being able to do a thing about it, falling in love.’



Comments


Commenting has been turned off.
bottom of page